Hoe DSG grip krijgt op duurzaamheidsdata in een veelzijdige bouwketen

Ambities staan vaak mooi op een website, maar hoe vertaal je die naar de weerbarstige praktijk van de bouw? In deze sector is het uitdagend om duurzaamheidsdoelen om te zetten in aantoonbare vooruitgang. Processen zijn complex, materiaalstromen zijn divers en de benodigde informatie is vaak versnipperd.

Bij DSG, de holding achter Stiho, Bouwmaat en Baars & Bloemhof, werd vijf jaar geleden besloten om duurzaamheid niet langer als bijzaak te behandelen, maar er een vast onderdeel van de bedrijfsvoering van te maken. In deze aflevering van CircuLean Talks spreek ik met Roel Laban, Sustainability Manager bij DSG. Hij vertelt hoe dat besluit leidde tot een aanpak die steunt op duidelijke materialiteitsanalyse, open verslaglegging en samenwerking in de keten.

Ondernemen met oog voor de volgende generatie

Toen Roel bij DSG binnenkwam, trof hij een organisatie waarin duurzaamheid al een rol speelde, maar nog niet gestructureerd was ingebed. Als familiebedrijf was er altijd al aandacht voor “ondernemen met oog voor de volgende generatie”, zoals Roel het omschrijft. Die mentaliteit maakte een professioneler duurzaamheidsprogramma een logische stap.

Roel kreeg direct de ruimte om dat programma op te zetten. Dat had ook te maken met timing: tijdens de corona-periode mocht de bouwmaterialenhandel open blijven, waardoor DSG stabiel draaide en er binnen de organisatie financiële ruimte was om te investeren in duurzaamheid. Dat maakte het mogelijk om meteen een team op te bouwen, deels door interne medewerkers aan te stellen per label, en in het begin gebruik te maken van externe expertise.

De materialiteitsanalyse als basis

Om helder te krijgen waar DSG zich op moest richten, begon Roel met een materialiteitsanalyse. Destijds ging het nog om enkelvoudige materialiteit: de vraag hoe DSG invloed heeft op de buitenwereld. Door systematisch te kijken naar de eigen processen, dienstverlening, labels en marktrollen, ontstond voor het eerst een duidelijke indeling van waar de grootste impact lag.

Uit deze analyse kwamen negen thema’s naar voren, variërend van het verduurzamen van het assortiment tot het in kaart brengen van CO₂-uitstoot, het tegengaan van verspilling en het versterken van sociale thema’s voor medewerkers. Elk thema werd voorzien van concreet geformuleerde doelen.

Cruciaal was dat DSG deze thema’s niet alleen intern bepaalde. Partners uit de keten werden actief gevraagd naar waar zij behoefte aan hadden.

Duurzaamheid is breed. Je moet bepalen waarop je je richt en welke thema’s het beste aansluiten bij je kernprocessen en de impact die je daarmee hebt op mens, milieu en maatschappij.
— Roel

Transparantie is belangrijker dan perfectie

Een van de eerste keuzes die DSG maakte, was om voortgang niet binnenskamers te houden. Roel besloot meteen te starten met jaarverslaglegging, nog voordat duidelijk was of DSG onder de CSRD (Corporate Sustainability Reporting Directive) zou vallen. Het eerste verslag werd opgesteld samen met een externe partij, omdat het belangrijk was om het proces zorgvuldig en professioneel te starten.

De keuze voor transparantie had meer effect dan verwacht. Het verslag gaf partners inzicht in waar DSG stond, maar ook in wat nog beter moest. Die openheid werd gewaardeerd. Daarnaast werd het verslag ook intern gebruikt om de koers te bepalen, en door accountmanagers als gesprekstool richting klanten en leveranciers.

Op sommige doelen maakten we in het begin helemaal niet zoveel voortgang. Maar alleen het feit dat je er transparant over communiceert, werd al goed ontvangen.
— Roel

Doorgaan wanneer de verplichting verdwijnt

Toen de CSRD-grens werd verhoogd, viel DSG, net als veel andere bedrijven, buiten de rapportageplicht. Maar stoppen was geen optie. Er was al zoveel tijd en energie ingestoken, dus koos DSG ervoor om over te stappen op de vrijwillige VSME-standaard (Voluntary Standard for Micro and Small Enterprises).

Tijdens dat proces werd duidelijk hoe belangrijk het was dat ook de finance-afdeling vanaf het begin betrokken werd. Veel duurzaamheidsinformatie hangt samen met inkoopvolumes en financiële stromen, waardoor finance een centrale rol heeft in de betrouwbaarheid en volledigheid van de data.

Samen met onder andere Bouwend Nederland, Techniek Nederland en DigiGO werkte DSG bovendien aan een template, waardoor organisaties eenvoudiger aan de VSME kunnen beginnen. Voor een sector waarin veel bedrijven MKB zijn, maakt zo’n concrete leidraad een groot verschil.

De VSME is eigenlijk het kleine broertje van de ESRS-standaarden (European Sustainability Reporting Standards). Het is een mooie start om te begrijpen wat je eigenlijk al weet over je eigen bedrijf als je er met een duurzaamheidslens naar kijkt.
— Roel

De zoektocht naar werkbare productdata

Terwijl DSG verder werkte aan de rapportagestructuur, liep Roel in de praktijk tegen een ander knelpunt aan: het ontbreken van betrouwbare duurzaamheidsproductdata. Dat werd zichtbaar toen DSG, op basis van de materialiteitsanalyse, het assortiment wilde beoordelen. Omdat er geen bestaande methode was die paste bij de bouwmaterialenhandel, ontwikkelde DSG een eigen beoordelingssystematiek. Die methode werkte inhoudelijk, maar maakte meteen duidelijk waar het spaak liep: de dataverzameling.

Vrijwel alle informatie kwam binnen via losse Excel-bestanden. Producenten kregen dezelfde vragen van verschillende handelspartijen, maar steeds in een ander format. Daardoor kostte het leveranciers veel tijd om vergelijkbare verzoeken apart te beantwoorden, terwijl DSG die gegevens vervolgens weer handmatig moest controleren en ordenen. Het verzamelen van data werd zo’n tijdrovend proces, en de uitkomsten waren nauwelijks onderling vergelijkbaar.

Zonder een gezamenlijke aanpak blijft productdata versnipperd, en kan geen enkele partij de informatie efficiënt benutten. Voor Roel werd het duidelijk dat DSG het niet alleen kon oplossen. Als de keten verder wil komen, moet de manier van dataverzameling veranderen. Hier ondersteunt ook CircuLean bij.

Als elke partij in de handel dit op zijn eigen manier blijft uitvragen, ontstaat er een enorme administratieve last voor producenten.
— Roel

Het ontstaan van het Sustainabuild Collective

DSG was niet de enige partij die tegen deze knelpunten aanliep. Ook andere handelspartijen merkten dat producenten overladen werden met vergelijkbare uitvragen die onvoldoende op elkaar aansloten.

Uit dat gedeelde inzicht ontstond het Sustainabuild Collective: een samenwerking waarin inmiddels tien handelspartijen op dezelfde manier duurzaamheidsdata uitvragen. Door gezamenlijk te bepalen welke informatie nodig is en in welk format die wordt aangeleverd, ontstaat een werkbare structuur voor zowel leveranciers als handel. Voor Roel voelt het logisch dat deze beweging juist vanuit de handel komt. Zij vormen de schakel tussen duizenden producenten en bouwende partijen en bevinden zich daardoor in een positie om het verschil te maken.

Het collectief kijkt bovendien verder dan de Nederlandse markt. Veel producenten leveren aan meerdere landen, waardoor een uniforme aanpak pas effect heeft wanneer die ook op Europees niveau toepasbaar is. Alleen dan wordt de keten overzichtelijker en wordt het aantrekkelijker voor producenten om duurzaamheidsproductdata structureel beschikbaar te maken.

Gelukkig was ik niet de enige die er zo over dacht. In de bouwhandel ontstond een initiatief waarin partijen zeiden: laten we dit samen oppakken.
— Roel

Groeiende rol van LCA-analyses en EPD’s

Voor het collectief en voor DSG wordt het steeds duidelijker welke type gegevens nodig zijn om producten goed te kunnen vergelijken. Roel ziet dat de sector daarom meer gaat werken met LCA-analyses (Life Cycle Assessments) en EPD’s (Environmental Product Declarations). Dit zijn documenten waarin een producent precies vastlegt wat de milieu-impact van een product is. Veel producenten hebben deze analyses al laten uitvoeren, maar de informatie wordt nu nog beperkt gedeeld en is daardoor lastig bruikbaar voor handelaren die producten willen beoordelen op CO₂-uitstoot of materiaalgebruik.

Volgens Roel is deze data wel nodig om verder te komen dan keurmerken of losse duurzaamheidsclaims. LCA’s en EPD’s zijn onafhankelijk opgesteld, volgen vaste rekenregels en maken het mogelijk om producten te vergelijken. Dat maakt ze de logische basis voor een uniforme datastroom binnen het collectief en belangrijk voor toekomstige ketenafspraken.

We gaan steeds meer sturen op data uit LCA’s en EPD’s. Dat is nodig om producten echt te kunnen vergelijken.
— Roel

Voorbereiden op een nieuwe fase in data-uitwisseling

De groeiende rol van EPD’s en LCA’s laat volgens Roel zien dat de keten duidelijke stappen zet richting professionelere informatievoorziening. De logische vervolgvraag is dan: hoe richt je de uitwisseling van die gegevens zo in dat alle partijen ermee kunnen werken? Juist omdat steeds de impact van de bouwsector kan worden gereduceerd door objectieve productdata, wordt het noodzakelijk dat deze informatie op een consistente manier wordt gedeeld.

Leveranciers moeten weten welke gegevens handelspartijen van hen verwachten, terwijl handelaren en bouwers inzicht moeten hebben in welke vragen zij zelf moeten stellen. Volgens Roel is dat een grote verandering voor de sector, omdat ketenpartners nog niet gewend zijn elkaar gericht te bevragen. Toch ziet hij dat dit snel gaat veranderen: goede keuzes in de bouw vragen niet alleen om materialen, maar ook om betrouwbare informatie over die materialen.

Bereid je voor op zowel de vraag ontvangen als de vraag stellen.
— Roel
Volgende
Volgende

Verduurzamen én voldoen aan de wet? Wat elke ondernemer moet weten over green compliance